Het weer is prachtig, het weer is fijn
Al van deze morgen vroeg doe ik aan de lijn
Het is niet moeilijk, het moet zo zijn
Whoa…
Ik ben beweeglijk, ik zit niet stil
Ik hol in bed en kruip naar de wc-bril
Het kost geen moeite, het is omdat ik het wil
Whoa…
De zon schijnt door een kier, ik heb het koud
Als ik nu iets zou eten, denk ik echt niet dat ik het binnen houd
Het is niet moeilijk, ik ben zo boud
Whoa…
Een nachtje stappen
Allemachtig
Daar betaalt een mens graag voor
Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor blijf ik heel
lang kijken naar de oppervlakte
mijn ogen bijna scheel
Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor blijf ik gaaf
dat broze wormpje spartelt zich verloren
het nutteloze aas, de slaaf
O, wat kan het leven
plots toch zo eenvoudig zijn
geen builen, blutsen, gaten
in mijn lijf
Het water kan echt wel
kristalhelder zijn
ik ben toch veel beter af
zonde(r)
Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor hou ik mijn lijn
vrij van oeverloos getobber, dobber
dat warmbloedige zijn
Vrouwen bijten bijten
o, ze bijten
en ik
ben de appel
Op de renbaan van haar lichaam
In de sporen van haar
Duizend soldaten met een stijve
Warme, hete lijven
Mieke Maai me maakt me
Mieke Maai me maakt maakt maakt, ze maakt me
Met haar mondje, met haar kontje
Met de sappen van haar
Wordt ze herboren, van achteren en voren
Vurig speelt ze met hun lintje lontje
Mieke Maai me maakt me
Mieke Maai me maakt maakt maakt, ze maakt me
Voor haar is hij een Steivekleut
Mocht zij in hem meer zien dan een zoveelste teut
Op een plek waar iedereen komt
In de biechtstoel
Publiek domein, ’t is geen geheim
Ze likt tot hij kromt
Mieke Maai maakt me
Mieke Maai maakt maakt maakt, ze maakt me
Ze speelt hem af met bedreven vingers
O, wat een zondaar
Als hij finaal spuit in haar palm of muit
Barst hij uit in snikken
Mieke Maai maakt me
Mieke Maai maakt maakt maakt, ze maakt me
Voor haar is hij een Steivekleut
Kon hij in haar meer zien dan een zoveelste preut
Mieke Maai Maak me O ma ma ma ma ma ma ma maakt me O my my maai, je maakt me…
Hij:
In mijn kamer, in de kou
scheur ik knipsels, denk aan jou
een buitenstaander, wie ben je nou
niemand ziet de binnenbouw
Zij:
Onze lijven, wat is dat nou
je bent een ouwe, je hebt een vrouw
toch wil ik dronken zijn met jou
van je boven tot mijn onderbouw
Samen:
Zoals planeten die draaien, zo leer je op school
drijft ieder eiland eeuwig op de dool
Hij:
Mijn vrouw is zwanger, hoe kan dat nou
Zij:
Het is jouw zwager, die zoetekauw
Hij:
Ze stoort zich aan mij en het hele gebouw
Zij:
Maar houdt je aan de huwelijkstrouw