De golven

Een zonovergoten stad in de zomer
flarden van verzen in je hoofd
je valt weer ten prooi aan duizenden woorden
de weg die je gaat, een onbekende straat
de hand van mijn lief drukt mijn hand
ze kijkt hem in de ogen en ik land

bij haar mag hij komen – kom maar
wat zijn je dromen, laat het stromen
ze gaf hem een onderkomen, en een naam

bewolkt, winderig weer – grijs, groen en blauw
zijn zinnen een balsem voor het hart
golven tillen je op, werken in op jou
sporen waar je voor staat, en het zaad
de hand van zijn lief en het zand
ze zwaait van op het strand

kom – bij haar mag hij komen
wat zijn je dromen o, laat het stromen
ze geeft hem een onderkomen, en een naam

ik wil de walvissen zien
de haaien waar je zo bang voor bent
dolfijnen, kijk hoe speels ze voor het bootje uit
de zee de zee de zee en verder niets verder niets…

Vrouwen bijten

 

Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor blijf ik heel
lang kijken naar de oppervlakte
mijn ogen bijna scheel

Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor blijf ik gaaf
dat broze wormpje spartelt zich verloren
het nutteloze aas, de slaaf

O, wat kan het leven
plots toch zo eenvoudig zijn
geen builen, blutsen, gaten
in mijn lijf
Het water kan echt wel
kristalhelder zijn
ik ben toch veel beter af
zonde(r)

Vrouwen bijten niet meer
zoals vroeger
daardoor hou ik mijn lijn
vrij van oeverloos getobber, dobber
dat warmbloedige zijn

Vrouwen bijten bijten
o, ze bijten
en ik
ben de appel

                      IlaH

 

Minuet

 

Hij:
In mijn kamer, in de kou
scheur ik knipsels, denk aan jou
een buitenstaander, wie ben je nou
niemand ziet de binnenbouw

Zij:
Onze lijven, wat is dat nou
je bent een ouwe, je hebt een vrouw
toch wil ik dronken zijn met jou
van je boven tot mijn onderbouw

Samen:
Zoals planeten die draaien, zo leer je op school
drijft ieder eiland eeuwig op de dool

Hij:
Mijn vrouw is zwanger, hoe kan dat nou
Zij:
Het is jouw zwager, die zoetekauw
Hij:
Ze stoort zich aan mij en het hele gebouw
Zij:
Maar houdt je aan de huwelijkstrouw